In het dorpje Passendale, vol avontuur en geheime plekjes, was Den Boulevard onze speelgrond, wij, de jonge snaken. Op een dag weliswaar vond mijn vader het tijd om onze biezen te pakken en neer te strijken in Zonnebeke, in het Boudewijnpark dan nog wel. Nu, vele jaren later, besef ik pas hoe vorstelijk die naam eigenlijk klinkt.

Zonnebeke, het dorp doordrenkt van mysterie en vriendelijkheid, verwelkomde ons met open armen. Voor mijn vader was het een terugkeer naar zijn roots. Alleen, nu had hij een groot gezin met zich mee. Overal voelde je Zonnebekes sfeer, van de slager met de naam Acke tot aan het kabbelende beekje dat dezelfde naam droeg. Alles ademde Zonnebeke daar aan de Zonnebeke.

Acke, de slager, kreeg zelfs na zijn laatste roffel op de slagersplank een eigen citaat van mijn vader. Als we ondeugend waren en nadien spijt hadden, liet hij ons lachend weten: “Acke is al lang dood.” Een geheimpje tussen vader en zoon, vol humor en warmte. Een luchtige toon, wellicht grappig voor sommigen, maar de betekenis ontglipte velen.

Zonnebeke, met zijn eigen Zonnebeek, speelde een hoofdrol in ons avontuur. Vandaag ziet het er misschien wat vergeten uit, maar toen was het een speelparadijs voor de jeugd. Stiekeme kampjes werden gebouwd, net zoals wij deden op plekken als de oude spoorweg bij Tynecot. Die plek, doordrenkt van historie en geheimen, zag me vogeltje voor het eerst een spleetje naar de vrijheid, deed een sprongetje wagen, en dit op een Honda dan nog wel.

Terugkijkend op die dagen, moet ik glimlachen. Zonnebeke was niet zomaar een plek, het was een magische wereld waar avontuur en vriendschap hand in hand gingen. De herinneringen aan Den Boulevard, Tynecot en de Zonnebeek zullen altijd een speciaal plekje in mijn hart hebben, een plekje waar ik met een fonkelende glimlach naar terugkeer.



Verscholen in het idyllische Zonnebeke, aan de oevers van de Zonnebeek (of was het Zunnebeke?), lijkt het Boudewijnpark te baden in de betovering van lang vervlogen dagen. Die magische periode, doortrokken van avontuur, ontvouwt zich langzaam in de hoeken van mijn herinneringen, als een labyrint van groei naar volwassenheid te midden van gezinsperikelen.

Verlangend naar rust, vond ik vaak mijn toevlucht bij vrienden. De massieve radio van mijn grote broer, die als een reus leek te heersen over de ruimte, vulde de lucht met stoere deuntjes. Als kleine jongen voelde ik me echter op mijn gemak; groot zijn was niets voor mij. Dat was het begin van mijn levenslange affiniteit met grootsheid, een besef dat ik bitter koester.

Bij het Boudewijnpark, een plek waar we samenkwamen met vrienden zoals Luc, ontvouwden zich kostbare herinneringen. Luc’s moeder, met haar hart van goud, was altijd druk in de weer. Pas later besefte ik de waarde van haar onvermoeibare inzet.

Op dat betoverende hoekje van de wereld, aan de zijlijn van het Boudewijnpark, begonnen onze streken. Wat begon als gadeslaan van auto’s, evolueerde al snel tot een spel van aardappelslaan in de uitlaten. We keken met schuldig plezier toe terwijl een buurman, doordrenkt van frustratie, tierde en mopperde op alles om hem heen. Totdat, met een doorstart de bevrijdende kracht, de aardappel zijn uitlaat verliet. Die ondeugende streken zijn als kostbare edelstenen, nog steeds sprankelend in mijn geheugen.

Het Boudewijnpark fungeerde als ons toevluchtsoord, een plek waar jongeren elkaar ontmoetten om te ontsnappen aan de alledaagse realiteit. Sommigen noemden het rondhangen, anderen zochten gewoon plezier. Wellicht hadden velen van ons destijds niet het ideale thuis. Het lijkt erop dat geschiedenis zich herhaalt, want nu hangen mijn kinderen ook rond. Nochtans doe ik mijn best om het ideale thuis te creëren. Rondhangen lijkt zo eerder een vorm van opstandigheid, een manier om de dwingende alledaagsheid te ontvluchten. In die ongedwongen momenten vinden ze hun eigen betovering, net zoals wij deden in het Boudewijnpark, jaren geleden.