In het duister van de nacht wacht een sprankje hoop,
Verwachtend van de toekomst een lieflijk stille troost.
Zo pleit ik voor de jeugd, dat zij blijven hopen,
In hun zoektocht naar grenzen, vinden zij de ware open.

Levend naar de wet van oorzaak en gevolg,
Vertrouwend op gedachten, de motor van mijn betoog.
In staat tot verwoesting, zo krachtig en puur,
Verslaat mijn gedachte bastions, maakt tronen tot een vurig vuur.

Genezing vindt zijn weg in de kracht van mijn geest,
Wonden helen, ongezien, waar geen balsem geneest.
Nieuwe wegen openen zich, hoop vindt haar baan,
Vertrouwen in de toekomst, een eindeloze oceaan.

Geloven in wat komt, een levenskracht die mij verlicht,
Verlost van lijden, mijn hart zwicht.
Een bewustwording groeit, een nieuwe horizon,
Eens met mezelf, veranderd, in de ochtendzon.

Wat was is wijs en goed, in het mysterie verweven,
Wachtend en piekerend, in de stroom van het leven.
Conflicten en eenzaamheid, een kind in het duister,
Dromend van een betere tijd, een glinsterend gefluister.

Zelfmoordgedachten, een schaduw van spijt,
Een gebroken droom, een hoop die vervaagt in de nacht.

Jean Pascal Salomez

Copyright