Over dit dagboek en waarom het niet meewerkt
Dit werkstuk onderzoekt het concept menticide als een laatmoderne, structurele vorm van mentale ontwrichting binnen hedendaagse democratische samenlevingen. Menticide wordt hier niet opgevat als expliciete repressie, maar als een subtiele, genormaliseerde aantasting van mentale autonomie via procedures, redelijkheid, tijdsdruk en geïnstitutionaliseerde zorg- en bestuurspraktijken. In dagboekvorm analyseert de auteur hoe spreken, participatie en transparantie functioneren als mechanismen van internalisering, waarbij het individu geleidelijk wordt herleid tot functie, profiel of casus.
Vertrekkend vanuit persoonlijke ervaring verbindt de tekst menswetenschappelijke inzichten uit de sociale filosofie, politieke theorie en neuropsychologie. Denkers als Hannah Arendt (over overbodigheid), Joost Meerloo (menticide) en cultuurhistorische parallellen met Weimar-Duitsland worden ingezet om aan te tonen hoe vermoeidheid, versnelling en morele rationalisering democratische samenlevingen kwetsbaar maken voor innerlijke uitholling. Tegelijk wordt verwezen naar biologische en epigenetische inzichten die wijzen op een diepliggend, belichaamd geheugen waarin collectieve ervaringen worden opgeslagen.
Als tegenbeweging introduceert de auteur zwijgen, vertragen en weigeren niet als activistische tactieken, maar als existentiële hygiënemaatregelen ter bescherming van het denken. Het essay positioneert anarchie niet als chaos, maar als vertrouwen in mentale soevereiniteit. Menticide wordt zo ontmaskerd als een systeemkenmerk van zachte macht, en mentale autonomie als de fundamentele voorwaarde voor menselijke waardigheid.
