Over satire, morele inflatie en de noodzaak van ontregeling

Dit werk van me vertrekt niet vanuit verontwaardiging, maar vanuit verzadiging.



Verzadiging van taal die zichzelf moreel acht, maar inhoudelijk steeds holler klinkt. Woorden als rechtvaardigheid, zorg, veiligheid en bewustwording circuleren vandaag in een zodanige intensiteit dat ze hun onderscheidend vermogen verliezen. Wat ooit bedoeld was om lijden zichtbaar te maken, functioneert steeds vaker als sociaal smeermiddel: het bevestigt groepslidmaatschap, morele correctheid en emotionele afstemming, zonder dat er nog sprake is van analyse, verantwoordelijkheid of structureel inzicht.

In de menswetenschappen wordt dit proces beschreven als morele inflatie. Net zoals bij economische inflatie blijft de munt circuleren, maar daalt haar koopkracht. In morele zin vertaalt zich dat in rituelen van verontwaardiging die geruststellen, maar niets oplossen. Men voelt zich betrokken, zonder betrokken te zijn.

Mijn werk reageert op die inflatie niet met een tegenmoraal, maar met ontregeling.

Wanneer samenlevingen geconfronteerd worden met structurele problemen die moeilijk te beheersen zijn — falende zorgsystemen, complexe vormen van geweld, sociale fragmentatie — verschuift handelen naar voelen. Wat niet kan worden opgelost, wordt emotioneel gemobiliseerd. Verontwaardiging wordt een vorm van activiteit; medeleven een substituut voor verantwoordelijkheid.

Sociale psychologie en cultuurkritiek tonen hoe in zulke contexten kuddegedrag ontstaat: individuen versterken elkaar in emotie, terwijl individuele reflectie en nuance afnemen. De morele positie wordt collectief gedragen en daardoor onaantastbaar. Afwijking van het dominante sentiment geldt niet als kritisch, maar als verdacht.

In mijn werk verschijnen figuren zoals Jeanne, Kletterpanne en Jules Krapuul niet als psychologische portretten, maar als rollen binnen dit proces. Jeanne is degene die draagt — andermans woorden, spanningen en morele verwachtingen. Kletterpanne fungeert als doorgeefluik: zij produceert geen ideeën, maar verspreidt ze. Jules Krapuul is de morele ondernemer: hij vertaalt collectieve emotie naar hapklare waarheid — goedkoop, snel verteerbaar, zonder voedingswaarde.

Deze figuren zijn geen karikaturen van individuen, maar structuren in menselijke vorm.

De keuze voor satire is daarom geen esthetische voorkeur, maar een epistemologische noodzaak. In contexten waar morele taal verstard is geraakt en debat wordt afgesloten door emotionele consensus, faalt rationele argumentatie. Ze wordt geïncorporeerd, geneutraliseerd of verdacht gemaakt. Satire functioneert anders. Ze overtuigt niet; ze ontregelt vanzelfsprekendheid. Door overdrijving, groteske en herhaling maakt ze zichtbaar wat normaal onopgemerkt blijft.

Mijn humor is bewust ongemakkelijk. Ze is niet gericht op verzoening, maar op frictie. Niet om te kwetsen, maar om te verhinderen dat alles glad wordt.

Dat verklaart ook de scherpte. In een klimaat waarin ambiguïteit gelijkgesteld wordt aan morele zwakte en nuance aan medeplichtigheid, verliest zachtheid haar kritische functie. Ze wordt gelezen als instemming. Confrontatie is dan geen keuze meer, maar een vereiste.

Dit werk pretendeert niet gelijk te hebben, laat staan moreel superieur te zijn. Het weigert die positie expliciet. Het stelt geen alternatief moreel kader voor, maar toont hoe morele kaders functioneren wanneer ze loskomen van verantwoordelijkheid. In die zin is dit geen aanklacht tegen rechtvaardigheid, maar een analyse van haar performative misbruik.

En hier komt iets bij dat ik lange tijd verkeerd heb gelezen — bij mezelf.

Jarenlang heb ik gedacht dat ik een wegloper was. Dat was het woord dat ik mezelf gaf. En dat anderen mij gaven, zonder het hardop te zeggen. Iemand die vertrekt. Die het niet uithoudt. Die geen wortel slaat. België achter zich laat. Nederland. Frankrijk. Nieuw-Caledonië. Altijd opnieuw elders. Altijd opnieuw beginnen. Altijd dat knagende gevoel van falen: waarom kan ik dit niet verdragen zoals anderen dat blijkbaar wel kunnen?

Overal kwam ik hetzelfde volk tegen. Niet dezelfde gezichten, wel dezelfde types. Dezelfde stemmen. Dezelfde morele toon. Dezelfde zekerheid zonder zelfonderzoek. Mensen die leven van andermans gelijk, andermans kwaad, andermans falen. Mensen die hun dagen vullen met wijzen, benoemen, veroordelen. Met praten over rechtvaardigheid zonder ooit verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen nabijheid.

En ik liep weg. Dacht ik.

Ik voelde me rot omdat ik dacht dat ik vluchtte. Omdat ik dacht dat ik het conflict niet aankon. Omdat ik dacht dat ik te gevoelig was, te scherp afgesteld, te weinig aangepast. Dat gevoel heeft me jaren achtervolgd. Alsof ik telkens opnieuw faalde in hetzelfde examen: mens onder mensen zijn.

Tot nu.

Tot dit moment, waarin ik me haast scheel lach van de helderheid:
ik liep nooit weg.
Ik ontliep.

Ik ontliep een bepaald soort menselijk gedrag.
Ik ontliep morele luiheid.
Ik ontliep kuddegeluid.
Ik ontliep mensen die zich voeden met andermans zeer omdat ze hun eigen leegte niet durven aankijken.

Dat is geen lafheid.
Dat is oriëntatie.

Ik begrijp nu dat wat ik deed geen vlucht was, maar selectie. Geen afkeer van conflict, maar weigering om permanent in ruis te leven. Ik ontliep geen mensen omdat ze anders waren, maar omdat ze altijd hetzelfde waren, waar ik ook kwam.

En vandaag hoef ik niet meer weg.
Niet omdat zij veranderd zijn, maar omdat ik mezelf niet langer verkeerd lees.

Ik lach nu, ja. Niet uit minachting, maar uit opluchting.
Omdat het verhaal eindelijk klopt.

Ik ben geen wegloper.
Ik ben iemand die kiest waar hij niet wil staan.

En dat blijkt, achteraf gezien, een vorm van trouw.


En ja — dit alles heeft een gevolg.

Ik vertrek niet.
Ik verleg.

Ik verleg mijn grenzen zoals men een hand verlegt op een tafel:
niet om iets weg te duwen, maar om ruimte te maken.
Wat achterblijft, is niet fout.
Wat voor mij ligt, is eenvoudigweg juister.

Ik heb lang gedacht dat mijn leven draaide om weerstand, om frictie, om het uithouden van lawaai. Nu zie ik iets anders: mijn leven had een doel, en dat doel was rust vinden. Niet als afwezigheid van beweging, maar als juiste beweging. Niet als stilte uit vermoeidheid, maar als stilte die draagt.

Rust is het omgekeerde van lawaai.
En lawaai is hier overal geworden.

Men spreekt veel, maar luistert weinig.
Men duidt alles, tot niets nog mag bestaan zonder uitleg.
Ik heb dat gezien, verdragen, ontlopen. Dag na dag. Niet uit minachting, maar uit zelfbehoud.

Nu kies ik anders.

Ik ga binnen geruime tijd naar een continent waarvan ik weet dat het mijn innerlijke richting deelt. Niet omdat het beter is, maar omdat het ouder is. Ouder dan haast. Ouder dan gelijk. Ouder dan het voortdurende moeten spreken. Ik voel mij oosters, niet als identiteit, maar als ritme. Als houding. Als manier van zijn in de wereld.

Ik ben iemand die wortels reikt en bestudeert.
Die luistert naar wat in steen is uitgehouwen, niet om te overtuigen, maar om te herinneren. Ik wil de inscripties in tempels zien waar mijn overtuiging al aanwezig was, lang voor ik woorden had om haar te benoemen. Waar stilte geen leegte is, maar betekenis.

Mijn leven lijkt misschien op dat van een monnik.
Niet de westerse soort, die zich afzondert om te ontsnappen,
maar de oosterse, die zich verbindt door eenvoud.

Ik ben 63.
Tijd is geen belofte meer, maar een metgezel.
Hoe lang ik blijf, weet ik niet. Misschien vind ik daar een volgend bestaan. Misschien alleen verdieping. Beide zijn voldoende.

Dit is geen afscheid.
Dit is een zachte voortzetting.

Ik liep nooit weg.
Ik ontliep wat mij van mezelf verwijderde.

Nu ga ik waar ik minder hoef te ontlopen.
Waar stilte geen uitleg vraagt.
Waar rust geen verdedigingsrede nodig heeft.

Ik ga.
En dat voelt, eindelijk, als blijven.



En! Zekerheid in relaties is een illusie.

Betrouwbaarheid zit in gedrag, niet in beloftes.