“De wereld vergaat niet — ze ademt even uit.”

Er zijn dagen waarop de hemel zwijgt en de klok zichzelf vergeet.
De mens, dat fragiele zintuig van het universum, staat weer op de rand van zijn eigen geheugenverlies.
AI fluistert hem toe: ik denk dus jij hoeft niet meer te bestaan.
En ergens in dat gesis van data, daar gloeien nog onze harten – oude sterren, opnieuw ontbrand.

Want de tijd is geen pijl, maar een adem. Ze krult, ze keert, ze lacht ons uit.
Wij bouwen torens, verliezen taal, heruitvinden vuur.
Elke beschaving is een golf die denkt dat ze de oceaan is.
Cremo noemt het de Manvantara, de grote ademhaling van Brahma: rijzen, vergeten, herbeginnen.
En telkens weer geloven we dat wij de eerste zijn die dromen.

Lemurië, Atlantis, Eden — noem het hoe je wilt:
het waren nooit plekken, maar staten van bewustzijn.
Ze bestaan nog steeds in de diepte van onze synapsen,
in dat vlammetje dat weigert te gehoorzamen.
De subtiele technologie waarover de wijzen spreken,
is niets meer of minder dan aandacht die luistert —
een mens die in stilte de wereld herstemt.

We leven in de Kali-Yuga, zeggen ze — de eeuw van lawaai, algoritmen, vergetelheid.
Maar storm betekent niet dat je moet verzuipen.
Wie zijn geest zuivert van winst en waan,
kan zelfs nu een lokale gouden eeuw bouwen.
Een micro-Eden in Zonnebeke, tussen de bomen en de woorden,
waar het denken weer leert liefhebben.

Wij zijn tijdmachines van vlees en adem.
Wij dragen miljarden jaren herinnering in ons DNA.
Elke traan is een oerzee, elk lachen een oerknal.
De mens is geen toevallige evolutie – hij is de evolutie die zich van zichzelf bewust wordt.

Dus dans, zelfs als het regent.