Hoop! LaMeLacHE

— een explosie in het heden —


I. Ontwaken

HOOP!
schreeuwt de stilte die breekt,
klanken barsten uit de ketenen—
breken de lijn,
versplinteren het ritme
van de grijze dag.

Lach-TR-A-KA!
knal-klap-poef!

woordvlammen, scherven van zin,
dansend door het hol van de stilte.


II. De Aktentas

In de aktentas—
die oude, versleten last,
vol verleden en vergeten tranen—
rust geen rust.
Kinderen sleuren hem voort,
hun handen rood van strijd.

Zwijg! Zwijg! Niet! Niet!
brrt brrt pffff

met tongen die snijden,
spuwen ze het stof van gisteren.


III. Kinderen als Strijders

Ze zijn de storm in het stille veld,
een hoop die niet buigt,
niet knielt voor de tijd.
Met blote voeten treden zij op as,
maken ruimte, breken muren.

Ka-boem!—
krrr klak—klaff—

een lach die barst en schreeuwt,
een traan die brandt en lacht.


IV. De Taal van Verzet

Taal is hun wapen,
elk woord een slag,
elke zin een breuklijn,
die het oude uitdaagt.

Zzzt! Wobble-skrik!
paf-paf, jakkes, bumm!

De taal, niet alleen spreken,
maar scheppen en vernietigen—
acties in letters gegoten.


V. Hoop als Actie

Hoop is geen wachten,
geen afwachten,
geen gelatenheid—
Hoop is een daad!

Breek die ketens,
breek het stilzwijgen,
breek het heden open,
sprong in het onbekende.


VI. LaMeLacHE

LaMeLacHE,
de lach die alles overleeft,
de lach die weigert te sterven,
de lach die huilt en breekt,
de lach die bevrijdt.

Laa—mee—laa-cheee!

Een schreeuw, een roep,
een brekende stilte,
de hoop ontploft—
nu.


VII. Slotakkoord

Hoop! LaMeLacHE!
Niet als een belofte,
maar als een insubordinale handeling—
een vuur, een dans,
een barst in de façade.

Hier en nu,
niet morgen, niet straks,
maar als een explosie van vrijheid,
een ode aan het breken,
aan het herscheppen.